Vieringboekje

vrijdag 6 september 2013

 

Uit liefde ben je ontstaan
Veel te vroeg moeten we je nu afgeven
Als een sterretje kijk je ons aan
Lieve schat, je blijft voor altijd in ons leven

 

Mathis Gadisseur                  

         

Muziek
Het land van je ogen dicht, Woezel en Pip (beluister hier)

Ga je mee naar ‘Het Land van je Ogen Dicht’?
Als je bijna slaapt, kun je gaan met je oogjes dicht.
Het maakt niet of je ligt of staat,
Alles mag als je dromen gaat.
Ga je mee naar ‘Het Land van je Ogen Dicht’?

Het is zo leuk in ‘Het Land van je Ogen Dicht’.
Je kan er alles doen met een lach op je gezicht.
En iedereen speelt er zij aan zij,
Ik met jou, en jij met mij,
Ga je mee naar ‘Het Land van je Ogen Dicht’?

Kijk omhoog, ’t Is de regenboog!
Voel de kleuren stralen door je mooie haren.
Vlieg omhoog,
Naar de regenboog!
Voel de wind op je gezicht,
Maar hou je oogjes heel goed dicht.

Ga je mee naar ‘Het Land van je Ogen Dicht’?

 

Begroeting door priester 

Aansteken doopkaars

Muziek
De steen, Stef Bos (beluister hier)

Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde.
Het water gaat er anders dan voorheen.
De stroom van een rivier hou je niet tegen.
Het water vindt er altijd een weg omheen.

Misschien eens gevuld door sneeuw en regen,
neemt de rivier mijn kiezel met zich mee.
Om hem dan glad en rond en gesleten,
te laten rusten in de luwte van de zee.

Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde.
Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten.
Ik leverde het bewijs van mijn bestaan.
Omdat, door het verleggen van die ene steen,
de stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan.

Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde.
Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten.
Ik leverde het bewijs van mijn bestaan.
Omdat, door het verleggen van die ene steen,
de stroming nooit meer dezelfde weg zal gaan.

 

Openingsgebed

Toen de kleine prins was ingeslapen, nam ik hem op in mijn armen en vervolgde mijn weg. Ik was ontroerd. Ik had het gevoel dat ik een heel broze schat bij mij droeg. Meer nog, dat er niets kwetsbaarder op de aarde bestond, dan dit kind in mijn armen. In het maanlicht keek ik naar zijn voorhoofdje, zijn haren, beroerd door de wind, zijn gesloten ogen. En ik zei tot mezelf : wat ik hier zie is maar schors. Het belangrijkste is voor de ogen onzichtbaar…

(Uit: De kleine prins, A. de Saint-Exupéry)

 

Eerste lezing door peter Thomas

Er waren eens drie bomen, die alle drie in een hevige storm een grote tak waren kwijtgeraakt. De drie bomen waren elk op een andere manier met hun verlies omgegaan. Jaren later ging ik de bomen weer opzoeken. Gisteren heb ik ze weer gevonden en gesproken.

De eerste boom rouwde nog steeds om zijn verlies en zei ieder voorjaar als de zon hem uitnodigde om te groeien:  “Nee, dat kan ik niet, want ik mis een belangrijke tak.” Ik zag dat hij klein was gebleven en in de schaduw stond van de andere bomen. De zon drong niet meer tot hem door. De wond was duidelijk zichtbaar en zag er naakt uit. Het was het hoogste punt van de boom. Hij was niet meer verder gegroeid.

De tweede boom was zo geschrokken van de pijn dat hij snel had besloten om het verlies te vergeten. Hij was moeilijk te vinden, want hij lag op de grond. Een voorjaarsstorm had hem doen omwaaien. Hij had zijn greep op de aarde verloren. De plek van de wond was moeilijk te vinden. Deze zat verstopt achter een heleboel vochtige bladeren en lag daar te rotten.

De derde boom was ook erg geschrokken van de pijn en de leegte in zijn lijf en hij rouwde om zijn verlies. Het eerste voorjaar toen de zon hem uitnodigde om te groeien, had hij gezegd: “Dit jaar nog niet.” Toen de zon het tweede voorjaar weer terugkwam met de uitnodiging, had hij gezegd: “Ja, zon, verwarm mij zodat ik mijn wond kan verwarmen. Mijn wond heeft warmte nodig opdat ze weet dat ze erbij hoort.” Toen de zon het derde voorjaar terugkwam, sprak de boom: “Ja, zon, laat mij groeien. Ik weet dat er nog zoveel te groeien is.”

De derde boom was ook moeilijk te vinden. Want ik had niet verwacht dat hij zo groot en sterk zou zijn geworden. Gelukkig heb ik hem herkend aan de dichtgegroeide wond. Die vol trots in het zonlicht werd gehouden.

 

Muziek
Toch hoor jij er altijd bij, Paul De Leeuw (beluister hier)

Nooit voelden jouw voetjes waarvoor gras is bedoeld
De warmte van de zon heb jij nog nooit gevoeld
Je haartjes hebben nooit gewapperd in de wind
En ik heb geen idee welke liedjes jij leuk vindt

Je handjes hebben nooit kunnen spelen
Je beentjes hebben nooit op de wereld gestaan
Toch hoor jij er altijd bij

Nooit voelde ik jouw liefde zo sterk als dit moment
Een voortdurend warme gloed waar jij de bron van bent
Ik draag je in mijn hart, mijn kindje voor altijd
En op die manier raak ik jou nooit kwijt

Liefde geven is jou nu los te laten
Terug te geven aan vanwaar jij ook komt
Toch hoor jij er altijd bij

 

Evangelie

Homilie

Offergang

Muziek, gekozen door Finn voor zijn broertje
Wij gaan vliegen, Samson en Gert (beluister hier)

Het is weer zo lang geleden
Dat ik jou nog heb gezien
Ben je gegroeid, ben je gekrompen
Of heb jij een baard misschien
Heb je nog die zomersproetjes
En die vlechtjes in je haar
Nog heel even en ik weet het
Want straks zien wij elkaar

Want wij gaan vliegen, vliegen, vliegen
Heel hoog in de lucht
En wij gaan lopen, lopen, lopen
Als een muisje op de vlucht
Dan gaan we rijden, rijden, rijden
Rijden met de trein
En gaan we varen
Om snel bij jou te zijn

We zagen samen heel de wereld
Op een wonderwereldreis
Ik leerde lieve hondjes kennen
In Peking en Pladijs
Parijs, Samson!
Ik zei “bonjour” in Frankrijk
En “hello!” in Engeland
Nu verlang ik naar ons huisje
Ik wil slapen in mijn mand

En dan zie ik in de verte
Jou met open armen staan
En dan weet ik echte vriendschap
Ja die blijft altijd bestaan

Want wij gaan vliegen, vliegen, vliegen
Heel hoog in de lucht
En wij gaan lopen, lopen, lopen
Als een muisje op de vlucht
Dan gaan we rijden, rijden, rijden
Rijden met de trein
En gaan we varen
Om snel bij jou te zijn

 

Offerandegebed

Duizend witte vogels vliegen jubelend voorbij.
Ik strek mijn armen, ben verdrietig, zie ze cirkelen boven mijn hoofd.
Maar op een dag zal ik weer weten
wat ik even ben vergeten, maar wat ik altijd heb geloofd.

Alle duizend vliegen ze voor mij.
De vogels komen altijd terug,
wanneer de zon zacht de winter weggesmolten heeft.

Ik heb de stormen overleefd
en strek mijn hand uit naar de lucht,
waar hoog een witte vogel zweeft.

Ik ben niet bang meer, recht mijn rug,
want die vogels komen altijd terug.

Ga nu maar vliegen, liefste,
in de zon, de witte wolken  in het zachte blauw.
Ik heb geglimlacht toen je overvloog,
wetend, dat ik zo hoog niet komen zou.

Ze vragen me: “Waar staar je naar?”
Ik wijs ze: “Naar die vogel daar.
Dat klein, wit puntje hemel,
dat ik ooit, heel even in mijn handen had.”

En ze vragen: “Waarom lach je dan?
Waarom straal en waarom zing je dan?”
En ik zal ze het verhaal vertellen
van de vogel die weer vliegen kan.

(Dominique Engers)

Prefatie

Dankgebed

Op een wolkje o zo hoog zit je lekker zacht.
Kijk je naar de regenboog, de maan die naar je lacht.
Sterretjes blinken om je heen de zon verwarmt je huid.
Je bent daarboven niet alleen, je bent ons vast vooruit.

Zo klein, zo kwetsbaar, zo van ons
uit liefde geboren, en veel te vroeg in liefde heengegaan.

 

Onze Vader

Communie

Muziek
Slaapliedje, Kabouter Plop (beluister hier)

Als het zonnetje gaat slapen
en kaboutertjes gaan gapen
is het tijd om naar je bedje te gaan.
Als de maan hoog in de lucht staat
en je weet het is al heel laat
doe dan maar je pyjamaatje aan.

En slaap maar zacht, slaap de hele nacht,
en droom dan maar de allermooiste dromen.
Slaap maar zacht, slaap de hele nacht.

Je kunt nog een boekje lezen,
nee je hoeft echt niets te vrezen,
als je naast je knuffeltje ligt.
En wanneer de lichtjes doven,
z ie je sterretjes daarboven,
doe dan maar je oogjes vlug dicht.

En slaap maar zacht,
slaap de hele nacht,
en droom dan maar de allermooiste dromen.
Slaap maar zacht, slaap de hele nacht.

 

Slotgebed

Een heel klein ding in jou is ik
Je ogen? Je verbeelding? Je hart?
Ik weet het niet.

Je bent een nieuwe mens
Dat jijtje van ik.

Slechts negen maanden – nee, nog niet –
Was jij ik en ik jij

En toen je een baby was
Toen, nog, was je zo hulpeloos
Zonder mij

Ik ademde jouw adem
Geen ogenblik
Was je buiten mij

En nu, waar je ook bent,
Ik blijf heel dicht bij jou
Je weet waar ik ben
Je hoeft maar te komen,
Maar te denken,
En ik zal er zijn.

Dikke kus, kleine grote jij van mij

 

Afscheidsritus door meter Maggy

Op een dag nam de mier afscheid van de eekhoorn. ‘Ik ga voor geruime tijd op reis,’ zei hij, ‘maar ik weet niet voor hoe lang. Ik neem dus maar zó afscheid dat het ook voor heel lang kan zijn. Zij schudden elkaar vijf keer de hand en omhelsden elkaar ook zoals het bij een afscheid voor lange tijd hoort. ‘Laat je nog iets van je horen?’ vroeg de eekhoorn. De mier had zich al omgedraaid en riep, terwijl hij langs het bospad liep: ‘ja!’

Even later was hij uit het gezicht verdwenen en bleef de eekhoorn alleen achter. Wat zou het voor reis zijn? dacht hij. Maar hij wist hoe weinig je kon zeggen van reizen die nog moesten beginnen. Niet lang daarna ontving de eekhoorn een brief.

Beste eekhoorn, Ik ben nu volledig op reis. Ik heb je beloofd dat ik iets van mijzelf zou laten horen. Als je straks een uitroepteken leest laat ik iets van mij horen. Lees je goed? Let op!

Op dat moment klonk er een zacht gefluit dat onmiskenbaar het gefluit van de mier was. ‘Mier!’ riep de eekhoorn opgetogen. Hij draaide de brief om en om, keek tussen alle letters en toen in de envelop en op de grond, maar er was geen spoor van de mier te bekennen. Hij begon opnieuw te lezen, en weer hoorde hij, toen hij het uitroepteken las, hetzelfde zachte gefluit. Als hij lang naar het uitroepteken keek kon hij zelfs een liedje herkennen dat de mier dikwijls floot. Hij deed de brief in de envelop en legde hem op de tafel naast zijn bed. Hij moet heel ver weg zijn, dacht de eekhoorn. Maar hij denkt aan mij!

De zon scheen en de eekhoorn ging op de tak voor zijn deur zitten. Maar telkens stond hij op en ging hij naar binnen om de brief opnieuw te lezen, en telkens als hij bij het uitroepteken kwam hoorde hij weer het zachte gefluit van de mier die van ver weg iets van zich liet horen. En telkens schudde de eekhoorn zijn hoofd, glinsterden zijn ogen en dacht hij: mier, mier!

(Uit: Misschien wisten zij alles, Toon Tellegen)

 

Woord door papa

Muziek
Wij zijn 2 vrienden, Guust Flater en de Marsupilami (beluister hier)

Hoeba hoeba hoeba hop hop hop
Hoeba hoeba hoeba hop hop hop
Hoeba hoeba hoeba hop hop hop
Hoeba hoeba hoeba hop

In het oerwoud was ik blij tussen de hoge bomen
Maar jouw vrienden hebben mij met zich meegenomen
Marsupilami, aardig beest, al ben je ver van huis
Zowaar als ik Guust Flater heet, bij mij voel jij je thuis
Zeg, Guust, dat is fideel, dat vind ik crimineel

Wij zijn twee vrienden, jij en ik
Twee dikke vrienden, jij en ik
Wij blijven altijd bij elkaar
Al worden we meer dan honderd jaar
Wij blijven vrienden tot onze laatste snik

Hoeba hoeba hoeba hop hop hop
Hoeba hoeba hoeba hop hop hop
Wij zijn twee vrienden met een gouden hart
Hoeba hoeba hoeba hop hop hop
Hoeba hoeba hoeba hop hop hop
Wij vormen samen een paar apart

Ook al ben ik ver van huis, sta ik toch vaak te kijken
Hoe de mensen bij jou thuis veel op apen lijken
Marsupilami, aardig beest, je hebt een scherpe blik
Het barst hier van de apen, en de grootste dat ben ik
Al sta je soms voor aap, je blijft een leuke knaap

Wij zijn twee vrienden, jij en ik
Twee dikke vrienden, jij en ik
Wij blijven altijd bij elkaar
Al worden we meer dan honderd jaar
Wij blijven vrienden tot onze laatste snik

Hoeba hoeba hoeba hop hop hop
Hoeba hoeba hoeba hop hop hop
Wij zijn twee vrienden met een gouden hart
Hoeba hoeba hoeba hop hop hop
Hoeba hoeba hoeba hop hop hop
Wij vormen samen een paar apart

 

Ophangen van kruisje

Muziek
Als een meeuw boven zee, Kinderen Voor Kinderen (beluister)

Soms voel ik me weleens een beetje gevangen
In de grote stad krijg ik bijna geen lucht
Uitlaatgassen of vuilnis, al die stank die blijft hangen
’t Liefst sla ik dan, sla ik dan op de vlucht

Wat moet ’t fijn zijn te vliegen daarboven
Helemaal vrij zijn, wat heerlijk is dat
Wat moet ’t mooi zijn, echt niet te geloven
Enkel te vliegen, ver weg van de stad

Als ’n meeuw boven zee vlieg ik met alle golven mee
Hoog in de lucht, voor de drukte gevlucht
Met m’n prachtige vleugels vlieg ik over de heuvels
De wind neemt me mee, over land, over zee

Als ik in de trein zit en ik zie alle mensen
Zo druk met zichzelf, met al hun dromen en wensen
Ze rennen en duwen, soms word ik ’t zat (zo zat!)
Dan wil ik weg, heel ver weg van de stad

Wat moet ’t fijn zijn te vliegen daarboven
Helemaal vrij zijn, wat heerlijk is dat
Wat moet ’t mooi zijn, echt niet te geloven
Enkel te vliegen, ver weg van de stad

Als ’n meeuw boven zee vlieg ik met alle golven mee
Hoog in de lucht voor de drukte gevlucht
Met m’n prachtige vleugels vlieg ik over de heuvels
De wind neemt me mee, over land, over zee

Vliegen, en genieten, alles wordt heel klein beneden mij,
Te zweven voor heel even… ik voel me vrij… zo vrij…

Als ’n meeuw boven zee vlieg ik met alle golven mee
Hoog in de lucht voor de drukte gevlucht
Met m’n prachtige vleugels vlieg ik over de heuvels
De wind neemt me mee, over land, over zee

De wind neemt me mee.